Reactie op de berichtgeving in de kranten over het proefschrift van Hilde Steenbergen
‘Vrijescholieren leren voor het leven’ had er ook boven het artikel in het NRC van 27 februari kunnen staan in plaats van ‘Op vrijeschool scoort kind laag’. Een vertegenwoordiging van onze school heeft het proefschrift van Hilde Steenbergen bestudeerd en is op donderdag 12 maart naar de Universiteit van Groningen gereisd om de verdediging van haar proefschrift bij te wonen. Uit het onderzoek kwamen ook veel positieve uitkomsten naar voren. Goed nieuws is geen nieuws, is blijkbaar het uitgangspunt van krantenredacties.
Wetenschappelijk onderzoek
Het was het eerste wetenschappelijke onderzoek naar vrijescholen. De aanwezige hoogleraren complimenteerden de vrijescholen met het feit dat ze mee hebben willen werken aan dit onderzoek. Alle vrijscholen hebben het proefschrift toegestuurd gekregen. De uitkomsten van het onderzoek kunnen ons helpen bij de verdere ontwikkeling van ons vrijeschool onderwijs. Het is opmerkelijk dat onze onderwijsvisie en -pedagogiek zoveel mensen bezighoudt, dat het voorpaginanieuws is geworden. Wat zijn nu eigenlijk de uitkomsten van het onderzoek?
Leren leren
De slotconclusie uit het proefschrift is dat ‘de reguliere school de school is waar je leert terwijl de Vrije school de school is waar je leert leren en wilt blijven leren. Zowel de reguliere scholen als de Vrije scholen voldoen daarmee aan hun eigen algemene doelstelling’ (p. 9 van het proefschrift). Op vrijescholen worden leerlingen uitgerust met vaardigheden en attituden die nodig zijn voor een continue ontwikkeling in de maatschappij. We zien het leven als een ontwikkelingsweg. Vrijescholen brengen leerlingen essentiële studievaardigheden bij en weten een positieve houding ten opzichte van leren te stimuleren. Een ander belangrijk aspect met betrekking tot een positieve houding tot leren betreft de ontwikkeling van leerstrategieën op vrijescholen. ‘Bovendien is er op Vrije scholen een duidelijke toename te zien op de leerstrategieën die gunstig zijn voor toekomstig leren, terwijl op reguliere scholen een afname zichtbaar is.’(p.140) ‘Blijkbaar nodigt de onderwijscontext waarin minder de nadruk ligt op cognitief presteren uit tot een zinvollere manier van omgaan met de leerstof.’ (p.148) Zoals een oud-leerling in het lentenummer van de Seizoener schrijft: ‘Het Rudolf Steiner College heeft mij in vijf jaar bijna alles gegeven en geleerd om zonder problemen deze studie te volgen.’
Brede ontwikkeling
Verder stelt Hilde Steenbergen onder meer vast dat ‘vrijescholen traditioneel gericht zijn op een brede ontwikkeling van kinderen. Cognitieve ontwikkeling wordt in vrijescholen als een volwaardig deel van de brede ontwikkeling gezien, maar staat gelijk aan de sociaal-emotionele ontwikkeling en de kunstzinnige ontwikkeling.’ (p.134) Vrijeschoolouders vinden niet alleen cognitieve vaardigheden belangrijk, maar ook persoonlijke ontwikkeling, sociale vaardigheden en studievaardigheden. Bovendien is de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs kleiner op de vrijeschool, omdat klassen langer bij elkaar blijven. Niet onbelangrijk is ook de onderzoeksbevinding van de gunstige ontwikkeling bij leerlingen in de relatie met docenten in vrijescholen.
Prestatiemotivatie en academisch zelfbeeld
Over prestatiemotivatie bij leerlingen concludeert zij: ‘Scholen in het voorgezet onderwijs hebben te kampen met een afnemende motivatie van leerlingen. Dit is ook het geval bij leerlingen op de Vrije scholen, echter de daling is een stuk kleiner dan op reguliere scholen.’ (p. 140) De verklaring die hier mogelijk aan ten grondslag ligt heeft te maken met het feit dat de leerling in de 9e klas (het 3e leerjaar) midden in de puberteit zit. Het zou kunnen zijn dat vrijescholen voor de puber (klas 9 en klas 10) een gunstiger pedagogische context bieden dan de gemiddelde reguliere school. Die context heeft ook een positieve invloed op het academisch zelfbeeld: ‘Opmerkelijk resultaat is dat vrijschool leerlingen een gunstiger ontwikkeling doormaken met betrekking tot hun academisch zelfbeeld, terwijl het academisch zelfbeeld van leerlingen in het reguliere onderwijs daalt.' (p.144) 'Dit is een bijzondere uitkomst omdat op de Vrije scholen juist geen nadruk wordt gelegd op de cognitieve ontwikkeling van leerlingen. Het lijkt er op dat dit komt door de onderwijscontext.’ (p.138)
Beperkingen van het onderzoek
Toch is de kop van het artikel in het NRC ‘Op Vrije scholen scoort kind laag’ vast niet helemaal uit de lucht gegrepen. Hoe waar is deze bewering? De uitspraak is gebaseerd op het onderzoek. Maar ‘Zoals elk onderzoek kent ook het onderzoek naar de effectiviteit van de Vrije scholen in vergelijking met reguliere scholen een aantal beperkingen’ (p. 145) De kop van het artikel is in de tegenwoordige tijd geschreven. Wat is echter het geval? ‘In 2000 hebben Vrije scholen structurele aanpassingen moeten doen om ingepast te worden in het publieke onderwijs bestel, zoals het aanvaarden van de kerndoelen van de basisvorming. Hierdoor is het mogelijk om de effectiviteit van Vrije scholen te vergelijken met reguliere scholen.’ (p. 8,16) Het onderzoek is echter 6 jaar oud, want de onderzoeksgegevens zijn gebaseerd op de schooljaren 2000 t/m 2003. In die tijd zaten de vrijescholen midden in een stevig veranderingsproces om die zogenaamde inpassing te realiseren. De vrijescholen hadden in 2000 nog maar net de basisvorming ingevoerd, terwijl dit op andere scholen al vele jaren eerder het geval was. De basisvorming is namelijk in 1993 van start gegaan. In 2000 startte op de vrijescholen ook de invoering leerwegen vmbo-tl en 2e fase. In die tijd moesten nieuwe doorlopende leerlijnen worden ontwikkeld zowel in de basisscholen als in de vrijescholen voor voortgezet onderwijs.
De vraag is of je een betrouwbaar representatief onderzoek kunt uitvoeren in een nog zeer veranderende onderwijskundige situatie, met name waar het de cognitieve leerlijnen en cognitieve prestaties van leerlingen betreft.
Rekenen
Tijdens de verdediging van haar proefschrift stelde één van de hoogleraren de vraag naar de uitkomsten van de rekentoets in de vergelijking vrijescholen en reguliere scholen. Haar antwoord was dat na verschillende correcties er geen significant verschil blijkt te bestaan tussen beide schooltypen. Als er een verschil is, dan is dit terug te voeren op initiële verschillen bij de instroom van leerlingen in de 7e klas (het 1e leerjaar).
Levensloopeffecten
Zoals ook een van de hoogleraren opmerkte is het interessant om de levensloopeffecten van het vrijeschoolonderwijs te onderzoeken. De effecten van het vrijeschoolonderwijs zou je pas later moeten zien. Excelleren vrijescholieren op hbo, universiteit of in het beroepsleven op basis van vrijschoolse vaardigheden en ontwikkelde attituden? “Waarschijnlijk wel” was het bevestigende antwoord van Hilde Steenbergen.
Worden wie je bent!
Het grote verschil tussen reguliere scholen en vrijescholen kan als volgt worden weergegeven: vrijescholen onderscheiden zich door haar brede ontwikkelingsdoel en een eigen pedagogische visie op onderwijs. Als de jonge mens van school komt moet het voldoende zijn toegerust om een volwaardige plek te kunnen vinden in de maatschappij. De maatschappij is echter niet statisch, maar voortdurend in ontwikkeling. ‘Om die reden leggen de vrijescholen de nadruk op eigenschappen die voor de leerling van belang zijn om zich blijvend te willen en kunnen ontwikkelen’(p.21). Op de vrijeschool leren leerlingen naar zichzelf te kijken: Wat kan ik? Wat wil ik? Wie ben ik?
Op de vrijeschool kun je worden wie je bent.
Rudolf van Lierop
Schoolleider
Link naar het proefschrift
|